16. Onze Gilden: Bijlage
Terug naar Geschiedenis: [1938]
[1970]
De Sint-Jorisgilde heeft een eigen
webstek.
Deze geschiedenis van de Sint Jorisgilde te Loenhout werd
geschreven door Frans Van Hasselt en
gepubliceerd ter gelegenheid van de Kempense gildendagen op 24 en 25 juni
2006.

Geschiedkundig overzicht Sint-Jorisgilde Loenhout
Dat
de stichtingsdatum "1354" alleen maar terug te vinden is in onze vlag is,
niet zo verwonderlijk als men bekijkt wat er in de loop der eeuwen met
documenten en archieven allemaal is voorgevallen.
De revoluties en evoluties kunnen we allemaal
terugvinden in de geschiedenisboeken. Naar verluidt zou onze St.-Jorisgilde,
en ook vele andere, afhankelijk geweest zijn van de "Hoofdgilde Leuven". De
stichting der gilden door toenmalig Hertog Jan III met de uitreiking van de
"CAERT" gebeurde vanaf 1340. In een hier volgend historisch overzicht zal
blijken dat onze gilden ook tijdens die periode reeds aktief was.
Ten jare 1374 stichtte de Heer van Loenhout, ridder
Daniel Van Bouchout bij zijn uitersten wil, aan het altaar van de
St.-Jorisgilde in de kerk een kapelanie op van vier missen wekelijks. Er was
toen ook nog sprake van een kapelaan van St.-Joris. Dit alles zegt genoeg
dat de St.-Jorisgilde toen al in volle bloei was en reeds langer bestond.
Dus 1354 is hierbij aanneembaar.
Ten jare 1538 werd in de kerk van Loenhout een nieuw
altaar voor St.-Joris geplaatst tegen een pilaar waar voorheen een beeld van
Sint Geertruide had gestaan. Er staat ook geschreven dat boven het altaar
een prachtig beeld van St.-Joris werd geplaatst.
Nog voor dit alles in regel was, gaf een zekere
Cornelis Bode, zonder twijfel een gildenbroeder, bij schepenakte een
jaarlijkse rente van vier Carolusgulden aan de gilde van St.-Joris en
stichtte daarmee een wekelijkse mis aan dit voornoemde altaar, en te
celebreren op het zelfde uur als de zondagse Hoogmis en dit eeuwen ten dage.
Hierbij moest een gebed worden gedaan voor de lafenis van de zielen van de
stichter der gilde en de overledenen van St.-Jorisguld.
Nog een derde stichting vinden we terug in het belang
van de St.- Jorisgilde. Op 2 april 1642, gaf de Eerzamen heer Peeter Joos
Gilsmans bij testament een kapitaal van vierhonderd Carolusgulden aan den
Edelen Ridder van St.-Joris. Deze som moesten de dekens gebruiken voor:
-
Het stichten van een mis tot lafenis van zijn ziel,
en deze te doen de dag na verloren maandag.
-
Het herstellen of hermaken van het altaar van
St.-Joris indien dit nodig mocht zijn.
Uit deze periode, bij het ontstaan van de Loenhoutse
St.-Jorisgilde, zijn wij heden ten dage nog in het bezit van een prachtig
St.-Jorisbeeld dat destijds prijkte boven het St.-Jorisaltaar. Het is een
Albasten St.-Jorisbeeld, 36 cm hoog en 18,5 cm breed; deze afmetingen
komen overeen met de periode uit de Engelse halfverheven beelden. De
herkomst is niet meer te achterhalen. Toch zijn er verschillende
visies die dit beeld situeren in de periode van 1415-1450. De
wapenuitrusting van de heilige komt bovendien overeen met diegene die wij
aantreffen op de praalgraven uit de tijd van de Engelse Lancaster periode.
Volgens de bekroning zou dit albast dateren uit de periode 1415-1450
(Squilbeck in HOK, 1938). De oudheidkundige inventaris van kunstvoorwerpen
der provincie Antwerpen omschrijft het beeld als volgt:
-
St.-Joris te paard bekampt de draak, die aan de
voeten van St.-Margaretha sterft; op de achtergrond staan twee torens; op
het toppunt van de torens staan de hoofden van de ouders der heilige; een
doorwerkt verhemelte bekroont de samenstelling, waarop nog sporen van een
veelkleurige beschildering zichtbaar is.
Uit een latere periode (1539) vinden wij in het
gemeentearchief een akte van bestelling gedaan aan meester Jan Van Velthoven
uit Breda. De bestelling werd gedaan door Marcus Luycx, schout en hoofdman
van de gilde St.-Joris. Hierbij enkele uittreksels uit de tekst :
-
Jan Van Velthoven, beeldsnijder, wonende te Breda
heeft aangenomen te leveren een beeld van St.-Joris te paard met de draak,
met de maagd, om dit op de beste manier uit te voeren en zelf te maken
voor de prijs van zestien Carolusgulden. De man zittend op het paard en
zal hebben een zwaard in de rechterhand en zal met de rechterzijde staan
op de beste manieren en het schoonst zijn gemaakt. De man moet op het
paard zitten en het paard moet springen met de voorste poten over den
draak- Dit alles te leveren voor St.-Jorisdag van dat jaar. De twee dekens
van de gilde, Peeter van der Buyten en Hendrick van Aerde zijn aangesteld
als keurmeesters.
In deze akte wordt niet over het te gebruiken materiaal
gesproken. Of het iets te maken heeft met het prachtige Sint Jorisbeeld, in
het bezit van onze gilde, is niet bekend. De afbeelding van het bestaande
beeld komt echter wel overeen met de vooropgestelde opdracht. De akte over
deze bestelling is terug te vinden op het rijksarchief, gemeentearchief van
Loenhout, onder het nummer 1176.
In de kerk van Loenhout hadden twee gilden hun altaar:
de Sint- Sebastiaansgilde in de rechter dwarsbeuk en de Sint-jorisgilde in
de linker dwarsbeuk. De handboog had haar altaar versierd met een prachtig
oud beeldje van de patroon, maar dit werd tussen 1920 en 1929 uit de kerk
gestolen (Verslag voor de Provinciale Commissie door onderwijzer
L.Bresseleers 1929).
De beide altaren werden in 1940 vernield toen de kerk
grotendeels uitbrandde bij de oorlogsbombardementen. Bij de heropbouw in
1949 was er voor beide altaren geen plaats meer.
Wat gebeurde er tijdens de Franse Revolutie (1789)?
De Franse bezetters schaften alle verenigingen af en
sloegen hun goederen aan. Maar... sommige gilden verdwenen, andere bleven in
stilte verder werken en nog andere veranderden in schuttersmaatschappij.
Meestal weigerden de gildebroeders hun bezittingen af te staan! Ook hun
eigendommen in de kerk.
De Sint-jorisgilde bleef bestaan en werd als dusdanig
door het kerkbestuur aanvaard. Dit alles wordt bewezen door de bewaard
gebleven rekeningen van de gilde (1739-1891).
Een andere belangrijke schenking aan de Loenhoutse
Gilden situeert zich in de 17de eeuw. De toenmalige regerende barones,
jufrouw Catharina de Perez, schonk in de eerste helft van de 17de
eeuw aan de Loenhoutse gilden het schuttersveld met doelhuisjes. Een stuk
grond van tachtig tot negentig aren, behorende de noorderhelft aan de
St.-Sebastiaansgilde en de zuiderhelft aan de kruisboog van de
St.-jorisgilde. De doelhuisjes zijn omstreeks 1930 afgebroken omdat de
gronden in onbruik waren geraakt. De schietingen werden toen gehouden bij de
lokaalhouder. De gronden werden intussen verpacht en later verkocht.
In de oude rekeningen boek vinden we volgende
belangrijke noteringen over de blijvende werking van de St.-jorisgilde.
Sinds 1757 werden pastoor, koster, misdienaars en orgelist jaarlijks door de
gilde vergoed voor de viering van de patroon: missen voor patroon en
overledenen. De gilde zorgde geregeld voor het waslicht, kocht in 1781 twee
nieuwe bloempotten, liet in 1786 het schilderij van het altaar restaureren
(het bestond nog voor 1940).
In 1789 en 1790 bekostigde de gilde het herstellen van
het altaar. De opbrengst van het offerblok was bestemd voor de gilde.
Sinds 1800 vergoedde de gilde de misdienaars, de
pastoor en de koster en zorgde voor de kerkdienst. Het luybier (het
luiden van de klokken op de vooravond van de feestdag van de patroon) werd
geschonken.
En het altaar ? De gilde kocht katoen voor het altaar (
1806), ledigde het offerblok (sinds 1809), liet kandelaars herstellen
(1817), gaf 6 gulden uit voor waslicht en onderhoud van het altaar dat zij
in 1864 liet repareren.
Dat ook de schuttersaktiviteiten werden onderhouden
blijkt uit de opeenvolging van de koningen. Deze zijn te achterhalen via de
verschillende koningsschilden die de oude breuk nog sieren. Hoewel: tijdens
de Franse revolutie vele bezittingen zijn verloren gegaan.
Eén van de huidige gildenbezittingen is een mooie
Keizersbreuk. Een zilveren halsketting, waaraan hangende drie zilveren
vogeltjes waarvan de middelste een kruisboog om de hals draagt. Deze
Keizersbreuk werd gevonden bij de puinopruiming na de bombardementen uit de
tweede wereldoorlog. Met de meeste waarschijnlijkheid werd deze breuk bij de
opeising van alle zilver tijdens de Franse Revolutie ingemetseld in het
altaar van St.-Joris en is zo bewaard gebleven. Wie deze breuk ooit heeft
gedragen is nooit achterhaald.
Koningen van een gilde hebben zich steeds moeten
waarmaken met hun wapen. Tijdens het koningsschieten werd bepaald wie de
schietingen zou leiden en wie de baas van de schutters zou zijn. Volgens de
gildegebruiken moesten deze schietingen om de zes jaar plaats vinden.
Vroeger werd van deze regel meermaals afgeweken om allerlei redenen. Nu in
onze gestructureerde tijd is dat niet meer mogelijk.
Achterhaalde koningen van de Kruisboog :