 |
De benaming donk werd vroeger gegeven
aan een plaats, gelegen op een hoogte en omgeven door een laagte: Donck,
Popendonck. |
 |
Een laar was een tegenstelling van het
voorgaande; het was een laagte omgeven door een hoogte: De Laren,
Engelaer. |
 |
Door meiren verstond men een moerassige
grond, gewoonlijk gelegen op de grens van een nederzetting of bebouwing,
die de naam droeg van hoeve of sele. |
 |
Een goor was een plaats, die altijd
onder water stond: Witgoor, Zwartgoor, Gooreind. |
 |
Een steertven was het uiteinde van een goor. |
 |
Door rijt verstond men een langwerpig
ven. |
 |
Een meer lag hoger dan een goor. |
 |
Een schot was een heide of een weide,
die als gemeenschappelijke grond diende evenals een unsel: Heischot. |
 |
Een broek was een moerassig of bedijkt
land: Henxbroek, Overbroek enz... |
 |
Aa was de benaming van een beek of
waterloop. |
 |
Hout of loo betekende
bos. |
 |
Een schoor was een afsluiting. |
 |
Een voort was aan doorwaadbare plaats. |
 |
Door heerdgang verstond men
gemeenschapsgronden onder waakzaamheid van een zelfde herder. |
 |
Een katterstraat was een baan,
langswaar de herder zijn schapen dreef naar de unsel, schot of heerdgang. |
 |
Een aard was het overschot van het
gemeenschapsgoed, verdeeld onder de enkelingen.
Deze webstek wordt beheerd door
Mathias Van Aken. |