6. Loenhout tot aan de bloei der XV° eeuw
Versie: [1938] [1970]
Loenhout maakte oorspronkelijk deel uit van het oude
land van Breda, doch werd al vroeg reeds daarvan gescheiden en bestond dan
als heerlijkheid op zichzelf. Dit duurde tot in het begin der XV° eeuw,
wanneer het beurtelings leenroerig werd onder de heren van Borsselen en
Cuylenberg. Popendonk was een heerlijkheid op zichzelf en was toen
rechtstreeks afhankelijk van de hertogen van Brabant.
De parochie Loenhout, hing in het begin af van het oude
bisdom Luik en maakte deel uit van het aartsdiaconaat der Kempen en van de
dekenij van Beeck of Hilvarenbeek.
De kerk van Loenhout, toegewijd aan de H.H. Petrus en
Paulus, verraadt hierdoor een hoge ouderdom. Het patronaat der kerk, of het
recht om de pastoor aan te stellen, hoorde toe aan de heren van Breda. Deze
heren mogen aanzien worden als de stichters van het grootste deel van de
parochies van onze streek. In 1277 schonken Arnold van Leuven en Elisabeth,
erfvrouw van Breda, het patronaatrecht van Loenhout en Wouw aan de abdij van
Sint Bernaarts te Schelle aan de Schelde. Deze abdij bewaarde dat recht tot
aan de Franse Revolutie. Toen werd dit ordepatronaatrecht vernietigd en ook
de abdij hield op te bestaan.
Ook de tienden, die oorspronkelijk aan de heren van
Breda toekwamen, gingen eveneens over aan de abdij van Sint Bernaarts bij
het recht van verkoping. Zij kostten samen met die van Wouw en Cappellen de
som van 2654 pond en een schilling Leuvens.
Loenhout werd te leen gehouden van de graven van
Hoogstraten; en Popendonck van de Coninck, zoals het landboek van Sint
Bernaarts zegt.
De leentienden van 20 veertelen graan, die gevonden
werden op de hoeven van het Popendonck, gingen voor een derde over aan de
heren van Loenhout, alsook van de onafhankelijke hoeve "Hoffstadt", die niet
tot de heerlijkheid van Popendonck behoorde en gelegen nabij het gehucht
"Terbeek".
Buiten die algemene tienden, bestonden nog twee
bijzondere tienden of belastingen: de "mostaerttiende" en de "cleyne
tiende". Deze laatste kwam voor een derde aan een bijzondere familie en een
derde ging naar de abdij van Sint Bernaarts. Deze indeling bestond tot in
1721. Alle akkers en weiden, als zij bezaaid werden, gaven tienden. Nieuwe
beboerde landen, gaven de eerste drie jaren slechts de 30ste schoof. Dit
gold voor tarwe, rogge, haver, boekweit, lammeren en vlas.
Aan het bezit der tienden waren verscheidene plichten
verbonden. De twee bijzonderste waren: het onderhouden van de toren of het
koor van de kerk en het stellen van een tiendeklok. Deze laatste moest zo
groot zijn, dat men bij gewoon weder, over de ganse gemeente kon horen, om
aan te kondigen dat het etens- of schafttijd was. Ook Loenhout deelde in de
grote bloei der XV° eeuw. Dit zullen wij best kunnen beoordelen als wij
handelen over de bouw van de kerk en het machtig slot, waar de adellijke
familie van Loenhout verbleef.
Deze
webstek wordt beheerd door Mathias
Van Aken.