7. Bevolking en gezag

 

Vorige
Terug
Volgende

 

7. Bevolking. Geestelijk en wereldlijk gezag

Versie: [1938] [1970]

De bevolking van Loenhout, tijdens de middeleeuwen, was niet groot volgens de uitgestrektheid van den grond.  In 1455 woonden er ongeveer 700 menschen, verspreid in 104 gezinnen.  In het jaar 1580 was de bevolking zeer aangegroeid, want toen leefden er 1900 zielen, bevat in 268 huishoudens.

Voorheen was de kerk van Loenhout een wereldlijke beneficie en werd bestuurd door wereldlijke priesters.  Zooals wij reeds gezegd hebben, werden zij wel voorgesteld door de abdij van Sint Bernaarts, maar zij ontvingen hun rechtsmacht van den bisschop en werden aangesteld door de aartsdiaak der streek en ingeleid door den Deken.  Van af 1420 echter mocht de abt der abdij een priester, 't zij priester of kloosterling, naar zijn beliefte, aanstellen. Deze priester, kapelaan genoemd, moest zich tevreden stellen met den trek, dien de abdij hem toekende.  In 1669 werd aldus aan den pastoor van Loenhout per jaar uitgekeerd: 32 gulden, 13 stuivers, 1 oort en 3 mijten; in graan 56 veertelen rogge en een veertel boekweit, en de huur van een stuk land, groot 1 bunder, 3 vierendeelen en 80 roeden, 't zij 40 gulden; verder trok hij een paar schoenen van de Tafels van den H. Geest, en van al degenen, die 2 gemeten lands gebruikten, trok hij een huisbakken brood.

De heerlijkheid van Loenhout hoorde van af het jaar 1364 toe aan de dynasten van Bouchout, een aanzienlijke adellijke familie, die een grooten rol gespeeld heeft in de geschiedenis van het hertogdom Brabant.  In 1465 komt de heerlijkheid in het bezit van de niet minder beroemde familie Van der Marcke, in de geschiedenis beter gekend onder den naam "Het Everzwijn der Ardennen".  In 1545 gaat de heerlijkheid over tot de familie de Ligne, graven van Aremberg.

De heeren hadden juridictie in Jacht- en vischrecht; zij hadden hun aandeel in strafrecht, in verbeurdverklaringen, in beschuldigingen van tooverij. Als eigendom namen zij alle onbeheerde goederen en onbeheerd vee; bij gebrek aan erfgenamen kwamen alle erfenissen aan den heer, en de bijzwermen in het wild moesten aan den heer afgestaan worden.  Eveneens behoorde aan de heer de kwijtschelding der straffen.

De schout was de kastelein van 't hof en deed alles in den naam van den heer.

Deze webstek wordt beheerd door Mathias Van Aken.
 

Terug | Voorwoord | 1. Voorgeschiedenis der Kempenstreek | 2. Eerste Geschiedenis van de streek | 3. Oorsprong van Loenhout | 4. Allerlei Frankische benamingen | 5. Naar meer Beschaving | 6. Loenhout tot den bloei der XVe E | 7. Bevolking en gezag | 8. Paalsteden | 9. Onze Kerk | 10. Joannes Stadius | 11. Het Slot van Loenhout | 12. De Pastorij | 13. Ellendige tijd | 14. De pest. - Herleving | 15. De kapel van St Quirinus | 16. Onze Gilden | 17. Het verbrand Hof | 18. Loenhout tijdens de XVIIIe eeuw | 19. Tijdens de Fransche Revolutie | 20. De Heeren van Loenhout | 21. Het Gemeentezegel | 22. Tijdens de XIXe eeuw | 23. De Pastoors van Loenhout | 24. Hedendaagsche Geschiedenis | 25. Geschiedenis van het Onderwijs | Slotwoord